Voordat de piano zijn definitieve vorm aannam, werden kunstliederen ook door verschillende andere instrumenten begeleid, bijvoorbeeld door harp of lier, en in het bijzonder door gitaar. Zowel uit de overvloedige aanwezigheid van gitaarliederen in archieven en bibliotheken, als uit de vroeg-negentiende-eeuwse iconografie, blijkt dat romances met gitaarbegeleiding in onze streken erg populair waren.
Die muziek werd niet in de theaters of aan de hoven gespeeld, maar circuleerde als bladmuziek onder amateurs in de huiselijke kring. Het succes van het genre dreef verschillende Vlaamse uitgevers, in navolging van hun Franse confraters, om vanaf de jaren 1830 abonnementen op verzamelingen gitaarliederen aan te bieden. Die bevatten zowel muziek die origineel voor gitaar en zang is geschreven, als bewerkingen voor gitaar van andere liederen, opera-aria's of korte scènes.
De bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen bevat verschillende jaargangen van zulke abonnementen. Om ze te doen klinken, ontbreekt het ons echter aan voorbeelden wat betreft uitvoeringspraktijk en stilistisch kader: we kunnen ons niets voorstellen bij commerciële muziek uit 1830, de muzikale stijl van amateurzangers en –gitaristen, binnen de specifieke akoestiek van 19e-eeuwse woonruimtes.
In dit onderzoeksproject gaan we aan de slag met de bladmuziek, gewapend met recente studies over de romance, en gesteund door cutting-edge expertise over romantische gitaren, om het gitaarlied nieuw leven in te blazen.
Beeld: De Latour, Marie (1750-1834), Allégorie de l’Ouïe, 1807. Bijgesneden en verbeterd met Pixella.ai
Update: mei 2026